We hebben 27 gasten en geen leden online



Achtergrondartikelen

Vaccinaties

Vaccinatie richtlijn katten

Richtlijnen, gebaseerd op de adviezen van The European Advisory Board for Cat Diseases

Feline Panleukopenia (FPL / kattenziekte)
routinematig vaccineren? ja

Vanwege de ernstige gevolgen van een infectie en als gevolg van het feit dat het virus veel voorkomt, is vaccinatie aanbevolen voor elke kat. Ook binnenkatten lopen risico deze ziekte op te lopen, aangezien het virus goed in de omgeving kan overleven en door bv de kleren van mensen op de binnenkat kan worden overgedragen.

Basisvaccinatie: een minimum van twee doses - één op 8 tot 9 weken oud en een tweede 3 tot 4 weken later (bij een minimum van 12 weken oud); vervolgens als de kat 1 jaar oud is.
Herhalingsvaccinaties: om de drie jaar.

In een omgeving met hoog risico w.b. kattenziekte, kan het kitten op de leeftijd van 4 weken oud met een geïnactiveerd product, met herhalings vaccinaties om de 3 tot 4 weken tussenpozen tot de leeftijd van 12 weken. Als het in een omgeving met verhoogd risico blijft, dan moet vaccinatie op de leeftijd van 16 tot 20 worden overwogen. Dit geldt tevens voor kittens die van een laag-risico omgeving naar een hoog-risico omgeving verhuizen.

Feline Calicivirussen (FCV)
routinematig vaccineren? ja

Basisvaccinatie: eerste vaccinatie op de leeftijd van ongeveer 9 weken; de tweede vaccinatie 2 tot 4 weken later maar niet eerder dan 12 weken oud. In hoog risicovolle situaties moet een derde vaccinatie op de leeftijd van 16 weken worden overwogen. Aangeraden wordt om alle keren hetzelfde merk vaccinatie te kiezen.
Herhalingsvaccinaties: de aanbevolen tijdspannes tussen de herhalingsvaccinaties FCV is nog omstreden. Op basis van verschillende onafhankelijke onderzoeken adviseert het ABCD om de drie jaar te vaccineren als het gaat om binnenkatten (geen catteries). Voor katten in drukke, risicovolle situaties (catteries, katten die vrij buiten komen) wordt een jaarlijkse herhaling geadviseerd.

Feline Herpesvirus (FHV)
routinematig vaccineren? ja

Basisvaccinatie: eerste vaccinatie op de leeftijd van ongeveer 9 weken; de tweede vaccinatie 2 tot 4 weken later, waarbij het kitten ongeveer 12 weken oud is bij de tweede enting.
Herhalingsvaccinaties: Hoewel de tijdspannes tussen de herhalingsvaccinaties FHV nog omstreden is, is er voldoende wetenschappelijk bewijs om als richtlijn een jaarlijkse hervaccinatie te adviseren. Enkel katten die binnenshuis leven en niet in aanraking met andere katten komen, zouden kunnen volstaan met eens in de drie jaar een vaccinatie.

Rabiës
routinematig vaccineren? nee

Vaccinatie is enkel noodzakelijk daar waar kans is op rabiës. Bepaalde landen stellen strenge eisen aan de toelating van dieren uit het buitenland, andere landen zijn minder streng. Bezoekt u met uw kat een buitenlandse show dan zal uw kat zeker geënt moeten worden tegen het rabiësvirus.

Binnen de EU is in juni 2005 afgesproken dat landen elkaars registraties erkennen. Dit is momenteel vooral belangrijk voor de geldigheidsduur van rabiësvaccinaties.
Nobivac Rabiës is voor rabiës geregistreerd met een werkingsduur van 3 jaar na vaccinatie vanaf 12 weken leeftijd.
Dus als datum van hervaccinatie, onder het kopje “geldig tot” in het paspoort, mag vanaf nu een datum 3 jaar later worden aangegeven. Als binnen die termijn gehervaccineerd wordt, kan men binnen de EU altijd op reis.
Voor Ierland, Noorwegen, Zweden (tot 1 januari 2012), Malta en het Verenigd Koninkrijk (UK) blijft een (eenmalige) bloedtest vereist.

Daarnaast heeft de Europese Commissie bepaald dat een eerste rabiësvaccinatie al na 21 dagen geldig is. Een hervaccinatie uitgevoerd aansluitend op de is direct geldig; de “21 dagen regeling” is hiermee dus komen te vervallen.

Basisvaccinatie: eerste vaccinatie op de leeftijd van 12 tot 16 weken. Eén enkele vaccinatie is voldoende.
Herhalingsvaccinatie: afhankelijk van het merk vaccin jaarlijks tot driejaarlijks; of anders indien de nationale regelgeving dit voorschrijft.

Feline Leukemievirus (FeLV)
routinematig vaccineren? nee

Vaccinatie wordt enkel geadviseerd voor katten die risico lopen om besmet te raken met het Feline Leukemievirus (bijvoorbeeld vrij buiten lopen in gebieden waar deze ziekte voorkomt). Voor vaccinatie dient uitgesloten te worden dat de kat deze ziekte reeds heeft (dmv van bv een zg SNAP of Elisa test, of doordat beide ouders van het kitten negatief getest zijn en het kitten niet in aanraking met andere katten is gekomen).

Basisvaccinatie: op 9 en 12 weken, gelijk met de vaccinaties tegen kattenziekte/niesziekte.
Herhalingsvaccinatie: jaarlijks. Katten ouder dan 3 à 4 jaar: om de 2 à 3 jaar.

Feline Immunodeficiëntie Virus (FIV)
routinematig vaccineren? nee

In Europa is nog geen bewezen werkzaam vaccin dat beschermt tegen FIV. Het vaccin dat sinds 2002 in de USA is geregistreerd, is niet aangetoond te werken tegen de in Europa voorkomende FIV stammen.
Om deze reden wordt het gebruik van het in de USA/Australië/Nieuw-Zeeland geregistreerde vaccin afgeraden voor gebruik bij katten binnen Europa. Mede omdat een eenmaal gevaccineerde kat als gevolg van de door de vaccinatie gevormde antilichamen niet meer te diagnosticeren is als mogelijk besmet door FIV van Europese stammen.

Feline Infectueuze Peritonitis (FIP)

routinematig vaccineren? nee

Er zijn twee nadelen verbonden aan het vaccineren tegen FIP ( FIP is een gemuteerde vorm van het zeer veelvuldig onder katten voorkomend Feline Coronavirus, oftewel FCoV):

  • het vaccin is niet effectief gebleken bij kittens jonger dan 16 weken
  • het vaccin is niet effectief gebleken bij FCoV seropositieve katten/kittens en de kans dat een kitten op jongere leeftijd dan 16 weken al besmet is zeer groot.

Vaccineren heeft dus enkel zin wanneer uitgesloten kan worden dat de kat/het kitten besmet is met FCoV.

Vaccineren tegen FIP kan met een intranasaal vaccin (neusdruppelmethode). Deze vaccinatie kan worden uitgevoerd bij katten vanaf 16 weken.

Basisvaccinatie: eerste vaccinatie op de leeftijd van 16 weken, tweede vaccinatie 3 weken later.
Herhalingsvaccinatie: jaarlijks.

Chlamydia psittaci
routinematig vaccineren? nee

De beschikbare vaccins tegen Chlamydia beschermen enkel tegen het ontsteen van de ziekte, niet tegen de infectie.
Vaccineren wordt enkel geadviseerd in een omgeving met verhoogd risico op Chlamydia infectie, bijvoorbeeld in catteries of dierenasiels waarin eerder gevallen van Chlamydia zijn vastgesteld.

Basisvaccinatie: op de leeftijd van 8-10 weken, met een tweede vaccinatie 3 tot 4 weken later.
Herhalingsvaccinatie: hoewel er nog discussie bestaat over de tijdspanne tussen de herhalingsvaccinaties, wordt geadviseerd in een omgeving met verhoogd risico op besmetting de katten jaarlijks te hervaccineren.

Er bestaat bewijs dat er bij in het verleden geïnfecteerde katten een verhoogd risico is om de ziekte later opnieuw te krijgen.

Bordetella bronchiseptica
routinematig vaccineren? nee

Aangezien Bordetella bronchiseptica milde symptomen kent en nauwelijks voorkomt in de kleine settings waarbinnen de meeste katten leven, wordt geadviseerd katten niet routinematig tegen deze ziekte te vaccineren.
Enkel voor katten die in een grotere groep met een historie van Bordetalla bronchiseptica leven, zouden volgens de aanbeveling van de fabrikant van het vaccin gevaccineerd hoeven te worden. Vaccinatie via intranasale toediening.

Microsporum canis (ringworm)
routinematig vaccineren? nee

Enkel ter ondersteuning bij de behandeling van een geïnfecteerde kat, of als een middel om in te zetten in een omgeving met meerdere katten waar ringworm heerst.

Ter preventie in een omgeving met meerdere katten (vanaf 10 weken) waar ringworm heerst:
Basisvaccinatie: tweevoudige enting, met telkens één dosis per dier, met een interval van 14 dagen.
Herhalingsvaccinatie: elke 9 maanden, tweevoudige enting, met telkens één dosis per dier, met een interval van 14 dagen.

Therapeutische toepassing bij met ringworm besmette katten (vanaf 10 weken):
Tweevoudige toediening, met telkens één dosis per dier, met een interval van 14 dagen. Als geen duidelijke waarneembare genezing optreedt van de huid en het haar twee weken na de tweede injectie, wordt een derde toediening aanbevolen.

NB De registratie voor deze entstof (Insol® Dermatophyton van Boehringer Ingelheim) is in Nederland op 29-06-2010 doorgehaald.

De werking van vaccins

Er zijn verschillende manieren om een virus of bacterie t.b.v. vaccinatie ongevaarlijk te maken:

1. We kunnen gebruik maken van een verwant virus dat wel een zgn. kruisimmuniteit geeft (bescherming tegen de gevaarlijke vorm) maar zelf geen ernstige ziekteverschijnselen veroorzaakt. Goed voorbeeld is het koepokkenvirus van Jenner dat bij mensen weinig ziekte veroorzaakt maar wel een bescherming oproept tegen het veel gevaarlijkere menselijke pokkenvirus. Een voorbeeld uit de diergeneeskunde is het menselijke mazelenvirus dat jarenlang gebruikt werd om honden te beschermen tegen het aan mazelen verwante hondenziektevirus.

2. Door achtereenvolgende generaties van een virus in het laboratorium te kweken op weefselcellen kan dat virus worden verzwakt. Daardoor zal het bij inspuiten nog wel sterk genoeg zijn om een immuniteit op te roepen maar niet sterk genoeg om echte ziekteverschijnselen te veroorzaken. We spreken dan van "verzwakt levende" vaccins. Deze methode is in Nederland voor het eerst ontwikkeld in 1947, toen Frenkel een kweekmethode ontwikkelde voor het mond- en klauwzeervirus.

3. Door een virus of bacterie volledig dood te maken kan hetzelfde effect worden bereikt: bij inspuiten ontstaan er geen ziekteverschijnselen maar wel een immuniteit. We spreken dan van "dode" vaccins. Deze techniek kan worden gebruikt als de methode van het verzwakken niet geschikt is, bijvoorbeeld bij bacteriën, of als het gaat om een te gevaarlijk virus om enig risico mee te lopen. Een voorbeeld van dat laatste is het rabies- of hondsdolheidvirus, dat alleen veilig kan worden verwerkt in een vaccin na volledig te zijn gedood.

4. Meer recente technieken maken gebruik van o.a. kennis uit de biotechnologie. Een van de mogelijkheden daarbij is het inbouwen van stukjes virus- of bacterie-DNA in een ongevaarlijk ander virus dat vervolgens als transportmiddel kan dienen.

klik hier voor het gehele artikel

Bron: Pfizer Animal Health

Titerbepaling en vaccineren op maat

De serologische status van hond en kat

Jarenlang was het gebruikelijk om honden en katten ieder jaar volledig te vaccineren. Sterker nog, ondanks de continue ontwikkelingen op het gebied van vaccinatiebeleid zijn er nog steeds voldoende beroepsbeoefenaars die menen dat jaarlijks vaccineren het meest wijze en het veiligste is. Wetenschappelijk onderzoek heeft de afgelopen jaren echter geleid tot nieuwe inzichten.

Nieuwe inzichten over de werkingsduur van vaccinaties, maar ook op het gebied van de inzet van serologische tests in de veterinaire praktijk. In de jongste richtlijnen van de AAHA (American Association of Hospital Animals) uit 2006 nemen serologische tests zelfs een prominente plaats in het streven naar ‘Vaccineren op maat’.

klik hier voor het gehele artikel

Bron: NML Health

Vaccinatie en corticosteroïden bij katten

Combinatie vaccinatie en corticosteroïden of andere immunosuppressieve geneesmiddelen bij katten

Bij katten die corticosteroïden krijgen, moet elke vaccinatie zorgvuldig worden overwogen. Afhankelijk van de dosering en de duur van de behandeling, kunnen corticosteroïden leiden tot functionele onderdrukking van de immunologische reacties, met name de cel-gemedieerde immuunrespons.

Onderzoeken waarin wordt gezocht naar de werkzaamheid van het rabiës  vaccin bij katten die corticosteroïden krijgen, ontbreken. Bij honden lijkt het gebruik van corticosteroïden wanneer deze voor een korte periode en in gematigde doses worden gebruikt, niet tot ineffectieve vaccinaties te leiden. 
Indien mogelijk dient gelijktijdig gebruik van corticosteroïden op het moment van vaccinatie te worden vermeden.

klik hier voor het gehele artikel

Bron: The European Advisory Board on Cat Diseases

terug naar boven